Mijn RES kater

Historicus Rutger Bregman richtte zich woensdag 29 januari tot alle Nederlanders met ‘Het water komt’. Hij wijst op de noodzaak nu besluiten te nemen om te voorkomen dat ons land voor een groot deel volloopt met water. Anderhalve dag eerder kwam ik samen met andere raadsleden uit de gemeenten in de regio Rivierenland naar het stadhuis van Culemborg om geïnformeerd te worden over het zogenaamde concept Regionale Energiestrategie (RES) bod. We zouden te horen krijgen wat we in Rivierenland gaan doen om het water, waarover Bregman het heeft in zijn brief, tegen te houden. Ik ging daar weg met een enorme kater.

Het voorstel dat de stuurgroep RES Rivierenland (met daarin wethouders van de Rivierenlandse gemeenten) durfde te presenteren was ronduit teleurstellend. In het concept zijn alleen die windmolens en zonneparken opgenomen die al gebouwd zijn of een vergunning hebben. In totaal 35 windmolens en 180 hectare zonneparken (de zonnepanelen op daken vallen niet onder de RES). Bij elkaar zorgen ze voor een reductie van slechts 26% CO2. In feite was ik boos, wat ik toch echt niet snel ben.

Al vanaf 2018 wordt er in de regiogemeenten gepraat en onderzocht met inwoners en raadsleden (bijvoorbeeld in ruimte ateliers) over het opwekken van groene energie t.b.v. CO2-reductie. Immers, er staat ons een grote opgave te wachten. In 2030 moeten we een reductie van maar liefst 49% ten opzichte van 1990 zien te halen. In juni moeten we in het concept RES bod laten zien hoe we dat in Rivierenland denken te bereiken. Met 26% zijn we er bij lange na nog niet. En hoe we in 2030 de benodigde 49% gaan behalen blijft koffiedik kijken want de stuurgroep durft geen voorstellen te doen over hoe en vooral ook waar de benodigde windmolens en zonneparken zouden kunnen komen. In het volgende RES plan, medio 2021, denkt de stuurgroep nog een volgende stap te kunnen maken met nog eens 30 windmolens en 280 hectare zonneparken. Samen met die uit de concept RES gaat dit een reductie van 37% in 2030 opleveren. Nog steeds geen 49% en nog steeds geen indicatie van waar.

Helaas wordt de noodzaak tot CO2-reductie nog steeds door velen ontkent dan wel niet urgent gevonden. Of men vindt maatregelen wel nodig maar niet in de eigen gemeente. Of er is uitstelgedrag uit angst voor weerstand onder inwoners tegen het verrijzen van windmolens en de aanleg van zonneparken in hun directe leefomgeving. Ik zie dit in West Betuwe gebeuren maar gezien wat ik hoor over hoe andere regio’s in Nederland hun RES invullen zijn ook daar de (lokale) bestuurders ‘besmet’.

Precies 25 jaar nadat de badkuip Rivierenland bijna was volgelopen, en we met z’n ruim tweehonderdduizenden moesten evacueren, lijken de reële risico’s van klimaatverandering en de noodzaak tot actie nog steeds niet voldoende doorgedrongen te zijn. In ieder geval niet bij de bestuurders die besluiten moeten voorstellen. Ze durven (nog) niet de benodigde stappen in gang te zetten. En dat neem ik ze kwalijk. Wij raadsleden mochten wel discussiëren over soorten locaties die geschikt zouden zijn maar vooral geen specifieke locaties noemen want dat zou onrust kunnen veroorzaken, zo was de impliciete boodschap waarmee we in groepjes op pad gestuurd werden.

Op 19 februari gaan we dit proces nog eens dunnetjes over doen in West Betuwe. Als we dan naar de ambitie voor de gemeente West Betuwe kijken om al in 2030 energie neutraal te willen zijn, 20 jaar eerder dan het landelijke streven, dan lijkt er niets anders op te zitten dan een West Betuwse RES op te stellen waarmee we in ieder geval onze eigen ambities waarmaken. En voor wie moeite heeft met knopen doorhakken en locaties bepalen? Misschien helpt een lokale burgertop. In Ierland hebben ze daar goede ervaringen mee. De uitkomsten zullen echter niet verrassen, denk ik. Met een beetje gezond verstand komen ze er vast wel uit. Dat hebben de lokale ruimteateliers (in feite een aantal mini-burgertopjes) in feite al bewezen.

Lokale winkeliers de dupe

Je kan het wel of niet eens zijn met iets, maar anderen jou manier van leven (die allang niet meer breed gedragen wordt) opleggen, dat kan echt niet. In een democratie hou je rekening met elkaar. Zelfs een pilot over de zondagsopenstelling is in de gemeente Geldermalsen nog steeds onmogelijk. Daarmee ontken je de werkelijkheid. Ten koste van winkeliers die zich aan de veranderende wereld proberen aan te passen. Heel erg jammer.

In de gemeenteraadsvergadering van gisteravond (30 oktober) hebben we als fractie van D66, samen met de overige oppositiepartijen, een laatste poging gewaagd om de raadsleden van Dorpsbelangen, het CDA en de SGP over te halen tegemoet te komen aan de wens van winkeliers in het centrum van Geldermalsen: een pilot van twee koopzondagen in de feestmaand december.

Helaas wilden zij aan deze in onze ogen zeer bescheiden wens niet tegemoetkomen. Daarmee is het winkelhart van Geldermalsen nog verder in een uitzonderingspositie gedwongen. Van eerlijke concurrentie voor lokale winkeliers is steeds minder sprake. Elders in den lande maken fracties van het CDA en de SGP andere keuzes. Zij dwingen winkels niet om tegen hun zin gesloten te blijven. Dat juist een zich lokaal noemende partij zoals Dorpsbelangen niet voor lokale ondernemers wil opkomen is niet te begrijpen. In de verkiezingsstrijd 12 koopzondagen aankondigen en je tegelijkertijd verschuilen achter een coalitieakkoord dat ruim vier jaar oud en na 21 november niet meer relevant is, is niet uit te leggen.

Als D66’ers hebben we wel vertrouwen in die ondernemers. Zij kunnen heel goed zelf beoordelen of er behoefte is aan een of meerdere koopzondagen. De voorgestelde pilot was niets meer en niets minder dan een pilot. Een voorzichtige poging om lokale ondernemers een sterkere positie te geven ten opzichte van hun concurrenten in omringende gemeenten.

Na de verkiezingen van 21 november worden de kaarten opnieuw geschud. De vraag is of in de toekomst nog steeds een minderheid in staat zal blijven om hun manier van leven op te leggen aan een meerderheid die graag andere keuzes wil kunnen maken. Voor D66 staat die keuzevrijheid juist voorop, met respect voor zij die andere keuzes maken. Respect dat wederzijds hoort te zijn en niet eenrichtingsverkeer zoals nu het geval is.

Over overduidelijke foute en helaas onweersproken aannames

Zomaar een zinnetje in een artikel in de Gelderlander over de vertrekkende burgemeester van Geldermalsen. ,,Alle vrijkomende huurwoningen gaan naar statushouders.’’ Een aanname van de geïnterviewde die onjuist is maar het staat er wel en wordt niet door de redactie rechtgezet. En zo wordt dit voor menig lezer de waarheid.

Dat is uitermate jammer. Niet alleen vanwege de stigmatiserende werking richting statushouders (ze pikken al onze huizen in, is dan al snel de gedachte). Het heeft ook tot gevolg, zo hebben we in de dorpen Meteren en Beesd helaas gemerkt, dat plannen om nieuwe sociale – en dus betaalbare – huurwoningen te bouwen op verzet uit de buurt stuiten. Het lijkt wel of ‘huurwoning’ een vies woord geworden is. ‘Niet bij mij in de straat want daar komen alleen maar asielzoekers in en dan daalt de waarde van mijn koophuis’.

Ja er gaan sociale huurwoningen naar statushouders. Met Kleurrijk Wonen is de afspraak gemaakt dat het om niet meer dan 10% van de vrijkomende woningen mag gaan. Dus 1 op de 10 woningen en niet alle vrijkomende huurwoningen zoals gesteld wordt. Het is wel begrijpelijk dat de regelmatige toewijzing van een huurwoning aan een statushouder maakt dat mensen die zelf op een (beter geschikte) huurwoning wachten zich gepasseerd voelen. Daar hebben ze gelijk in ook. Elke woning voor een statushouders is een woning minder beschikbaar voor de ‘gewone’ woningzoekenden. Tenzij we natuurlijk extra huurwoningen bouwen. Daar pleiten we al jaren voor en uiteindelijk heeft dit resultaat gehad. Ja we mogen nu in de gemeente Geldermalsen 50 extra huurwoningen bouwen en nee die zijn niet specifiek voor statushouders. We vergroten de sociale huurwoningenvoorraad met 50 stuks, daarmee komen er meer huurwoningen beschikbaar voor de lokale vraag en voor statushouders.

Wij begrijpen ook dat het moeilijk te verteren is als woningzoekenden zien dat sociale huurwoningen verkocht worden. Ook het zogenaamde passend toewijzen (de sociale huurwoningen met de hoogste huren zijn niet meer voor iedereen beschikbaar) verkleint de keus voor de mensen met de kleinste beurs. Met name in de kleinere dorpen van onze gemeente bleken sociale huurwoningen te verdwijnen, er komen geen anderen voor terug. Terecht dat men zich hier zorgen over maakt. Dat doet de gemeenteraad van Geldermalsen zich ook.

Vandaar dat op verzoek van de raad een extra afspraak met Kleurrijk Wonen is gemaakt: bij het vrijkomen van huurwoningen in de kleinere dorpen Acquoy, Buurmalsen, Tricht, Rhenoy, Rumpt, Deil, Enspijk en Gellicum worden deze eerst te huur aangeboden. Pas indien na twee maanden zich geen huurder gemeld heeft mag verkocht worden. Onlangs presenteerde de verantwoordelijk wethouder de cijfers. Van de in de afgelopen tijd 27 in deze dorpen voor verhuur vrijgekomen woningen bleken alle 27 woningen weer verhuurd te zijn. Daarmee is de verkoop van 7 sociale huurwoningen die op de nominatie stonden om verkocht te worden voorkomen. Tevens is aangetoond dat, in tegenstelling tot wat bij sommigen de verwachting was, er wel degelijk behoefte is aan woningen in die kleine dorpen.

Jammer dat dit niet in de krant staat want in het kader van efficiency neigen woningbouwcoöperaties hun werkzaamheden te concentreren en wordt daarmee indirect extra vergrijzing in de dorpen in de hand gewerkt. Jongeren trekken noodgedwongen weg. Meer aandacht voor de pogingen van onder andere de gemeenteraad van Geldermalsen om dit tegen te gaan zou de Gelderlander sieren.

NB: Bovenstaande heb ik als ingezonden brief naar de redactie van de Gelderlander gestuurd. Geen enkele reactie ontvangen, laat staan dat het geplaatst is. Vandaar maar via mijn persoonlijke blog.

Het keukentafelgesprek

Iedereen heeft het er opeens over, het keukentafelgesprek. Onlangs verscheen namelijk het rapport ‘Zicht op de Wmo 2015’ van het Sociaal Cultureel Planbureau. Met daarin de uitkomsten van onderzoek naar ervaringen van mensen (en hun naasten) die in 2016 bij hun gemeente voor zorg en ondersteuning (in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning uit 2015) aanklopten. In dit rapport staan ook de ervaringen van hun gesprekspartners, meestal leden van sociale wijkteams, die namens de gemeente met zorgvragers de zogenaamde keukentafelgesprekken voerden. Gesprekken die meestal bij mensen thuis ‘aan de keukentafel’ gevoerd werden en die helder dienden te krijgen of en zo ja welke zorg en ondersteuning nodig was.

De berichtgeving in de media hierover is nogal verwarrend met koppen zoals ‘Hulpbehoevenden vaak niet tevreden over diensten gemeenten’, ‘Bezorgde burger kan ei niet kwijt bij keukentafelgesprek’ en ‘Keukentafelgesprekken over zorgtaken werken goed, maar niet altijd’. Maar ik schrok toch wel van mijn ‘eigen’ Trouw dat op 25 oktober op de voorpagina kopte ‘Gemeente kan zorgtaak best aan’. Want mijn ervaring is dat lang niet altijd onze inwoners zich goed geholpen voelen.

Nadere bestudering van het rapport (Internet is wat dat betreft een uitkomst, het volledige rapport met alle bijlagen is direct te downloaden van de SCP-website *) verduidelijkt veel. Er gaat veel goed, maar ook veel niet. Een van de conclusies is veelzeggend: ondanks geboden hulp en ondersteuning kon een kwart van de WMO-melders niet het huishouden doen. Laat die 25 % even op je inwerken. Als we dat cijfer vertalen naar de gemeente Geldermalsen gaat dit al gauw om ruim 200 huishoudens (er waren in 2015 837 huishoudens met 1 of meer vormen van WMO-hulp en ondersteuning).

Wat het SCP-rapport ook meldt is dat er geen gegevens zijn van mensen die wel hulp nodig hebben maar afgewezen worden of de gemeente niet weten te vinden om hulp aan te vragen. Uit ander onderzoek blijkt dat het in het algemeen nog steeds slecht bekend is dat je bij de gemeente kunt aankloppen voor hulp en ondersteuning. Daarnaast geeft een aanzienlijk deel van de mantelzorgers in het SCP-onderzoek aan dat er tijdens het keukentafelgesprek geen aandacht voor (overbelasting van) mantelzorgers is. Het rapport wijst er ook op dat er met name in kleinere en minder stedelijke gemeenten een gebrek aan kennis van specifieke doelgroepen is. Dit blijkt bovendien een hardnekkig probleem, ook in de WMO-evaluaties over 2007-2009 en 2010-2012 werd al gevonden dat gemeenten moeite hadden om de problematiek van mensen met psychische klachten en dementie goed in beeld te krijgen.

Dit alles is voor mij en mijn fractie voldoende om aan te nemen dat het aantal huishoudens dat niet (voldoende) hulp en ondersteuning krijgt nog hoger ligt. Dit bevestigt ook onze vermoedens dat er, ondanks de inzet van velen, nog te veel niet goed gaat. Vermoedens die wij al langer hebben, wij krijgen hierover veel signalen vanuit de lokale samenleving. Vermoedens die wij regelmatig geuit hebben, maar die vooralsnog niet door de verantwoordelijk wethouder herkend worden. Specifieke casussen die wij aandragen worden afgedaan als uitzonderingen. In onze ogen zijn ze slechts het topje van een ijsberg. Hoe groot? Niemand die het weet. Vragen die wij stelden om meer duidelijkheid te krijgen worden, ook door een aantal andere raadsleden, gezien als lastig en tijdrovend gezeur.

Helaas bleek er, ondanks de door ons ingediende en door alle partijen ondersteunde motie om de uitvoering van de nieuwe WMO (en jeugdzorg) goed te monitoren, geen uitvoering aan de motie gegeven te zijn. Als raadsleden visten we daardoor in het donker. Hoe ging het nu echt met de uitvoering? Het enige wat wel duidelijk werd waren de cijfers. We bleven binnen het budget dus alles ging prima, aldus de wethouder.

Wij waren er niet gerust op gezien de signalen die wij opvingen. Tijdens het zomerreces van 2016 spendeerden wij al veel tijd aan verder onderzoek hiernaar. We gingen ook in gesprek met organisaties en individuele personen werkzaam in het veld. Ook met de verantwoordelijk wethouder en betrokken ambtenaren. We lieten ons (toen nog) geruststellen maar bleven alert. De signalen werden echter steeds meer en luider en in juni en juli van dit jaar volgden nog eens een tweetal rechterlijke uitspraken die onze bange vermoedens bevestigden.

Er werd onvoldoende onderzoek gedaan naar de daadwerkelijke zorgbehoefte van inwoners, bovendien werd de term ‘eigen kracht’ van mensen veel te ruim geïnterpreteerd waardoor veel zorgvragen niet (voldoende) werden beantwoord. Met name zij die een persoonsgebonden budget (PGB) hebben of wilden ervoeren nogal wat problemen. Dat resulteerde in nog meer en nu echt officiële vragen aan de wethouder. De antwoorden waren geenszins bevredigend en voldoende reden om deze zomer en dit najaar nogmaals gesprekken met het veld te zoeken. Ondanks wellicht goede voornemens zijn de problemen hardnekkig.

Het SCP-rapport is (helaas) een bevestiging van onze ervaringen.

Dat de door ons gesignaleerde problemen niet uitzonderlijk zijn en ook in andere gemeenten spelen mag echter geen reden zijn om achterover te leunen. Een gemeente die pretendeert een sociaal gezicht te hebben dient alles in het werk te zetten om het beter te doen. Het gaat immers om onze meest kwetsbare (en vaak ook eenzaamste) inwoners.

De kop en het stuk in mijn krant, dat aangeeft dat ‘de gemeente’ de zorgtaken best aankan, verdiende in ieder geval deze hele grote nuancering.

 

NB: Er ging natuurlijk heel wat aan de huidige situatie vooraf:

Ik kan me de discussie in 2014 nog goed herinneren. Gemeenten gingen veel zorgtaken van de rijksoverheid overnemen. En natuurlijk beter doen want als lokale overheid staan we immers veel dichter bij de inwoners en hebben we beter zicht op wat nodig is en ook wat er lokaal aan ondersteuning te bieden is. Het idee was ook dat als mensen de juiste zorg en ondersteuning krijgen, ook als dit meer kost of anders is dan waar in eerste instantie om gevraagd werd, kunnen zij langer zelfstandig blijven. Wat uiteindelijk de kosten in de zorg zal drukken. Dat is goed voor de mensen zelf en goed voor de samenleving in zijn geheel.

Zorg op maat, kwaliteit, keuzevrijheid, eigen regie en vertrouwen waren veel gebezigde termen. Vertrouwen in burgers door hen zoveel mogelijk de zorg middels een persoonsgebonden budget te laten regelen, waardoor meer maatwerk mogelijk is en dat bovendien goedkoper voor de gemeente is (PGB zorg is in principe goedkoper dan zorg in natura waarbij ook voor de overhead van grote organisaties wordt betaald). Vertrouwen in de professionals in het veld. De welzijnswerkers, wijkverplegenden, huishoudelijke hulpen etc. Zij weten zelf heel goed wat er nodig is.

En er kwam het keukentafelgesprek. Bij de mensen thuis, in een veilige omgeving, met als doel niet alleen de vraag helder te krijgen maar juist ook de vraag achter de vraag. Immers, we gingen ervan uit dat mensen vaak niet durven aan te geven wat het echte probleem is. Beter vroegtijdig wat extra hulp dan achteraf nog hogere kosten moeten maken omdat mensen te laat geholpen worden. Een gesprek op basis van gelijkwaardigheid aan de keukentafel zou dit naar boven moeten kunnen halen.

Als gemeenteraad werden wij goed bij de plannen betrokken. En hoewel het een flinke klus zou worden, in feite had iedereen – ambtenaren, wethouders, raadsleden, WMO-raden – er redelijk veel vertrouwen in dat het goed zou gaan. De grootste zorgen waren of we de verwachtte toestroom aan hulpvragen wel aan zouden kunnen en of er wel voldoende budget zou zijn. De Rijksoverheid had namelijk bedacht dat gemeenten het vast goedkoper zouden kunnen doen en al op het budget voor de WMO (en Jeugdzorg) gekort. ,,We moeten het wel met dat budget zien te doen,’’ zo herinner ik me de waarschuwing van toenmalig wethouder Wim Hompe. We moesten als raad er niet op rekenen dat er vanuit andere budgetten zou worden bijbetaald. Het kon niet zo zijn dat het geld voor de lantarenpalen aan zorg besteed zou worden.

Inmiddels zijn we bijna drie jaar verder. En houden we al jaar op jaar geld over op de WMO. Geld dat niet alleen hier maar ook in andere gemeenten in de grote pot komt en wellicht besteed wordt aan eerdergenoemde lantarenpalen. Vanuit duurzaamheidsoogpunt is het natuurlijk prima dat we in onze gemeente investeren in LED-verlichting voor de openbare verlichting, ware het niet dat de overschotten op het budget voor de WMO ons steeds ongeruster maakt. Want de signalen die we vanuit de lokale samenleving krijgen dat het lang niet altijd goed gaat liegen er niet om.

Het SCP-rapport merkt ook op dat minder mensen dan voor 2015 zich met een ondersteuningsbehoefte meldden bij de gemeente of hun melding uitstelden. Dat kan volgens de onderzoekers komen doordat men zich aangesproken voelde door het morele appel van de overheid of dat zij al bij voorbaat waren ontmoedigd door de berichtgeving in de media over veranderingen in de zorg. Zij losten hun problemen wellicht langer dan voorheen zelf op, in eigen kring. Dat heeft wel tot gevolg dat wanneer zij uiteindelijk toch bij de gemeente aankloppen zij een zwaardere zorgvraag dan onder de ‘oude’ WMO hebben en de inzet van zorg gemiddeld hoger komt te liggen dan voorheen. Probleem daarbij is wel dat in ‘het onderzoek’ nog steeds die eigen kracht van mensen overschat wordt of ‘de vraag achter de vraag’ niet boven tafel komt, bijvoorbeeld door gebrek aan kennis over specifieke doelgroepen bij de gespreksvoerders.

Het wordt dan ook de hoogste tijd voor een ‘keukengesprek’ in de gemeenteraad van Geldermalsen, nog beter in de gemeenteraden van de regio Rivierenland. Samenwerking is immers de sleutel naar meer kennis.

* https://www.scp.nl/Nieuws/Wmo_ondersteuning_droeg_bij_aan_redzaamheid_en_participatie_maar_niet_voor_iedereen

 

Het Trichts belang

Al meer dan vier jaar speelt het, het spoor Tricht. De Rijksoverheid wil, in het belang van ‘Nederland’ meer treinen laten rijden op het spoor Utrecht-Den Bosch. De Merwede Lingelijn, die voor een heel klein deel gebruik maakt van dat spoor, is een ‘verstorende’ factor. Het betreft het stukje van net ten noorden van het dorp Tricht tot aan het station in Geldermalsen. De plannen om dit deel van de Merwede Lingelijn een apart spoor te geven, het zogenaamde ‘vrijleggen’, heeft ingrijpende gevolgen voor het dorp Tricht en vele van haar inwoners. Want door het derde spoor moeten de twee overwegen in het dorp verdwijnen. En moet daar wat anders voor in de plaats komen.

Al jaren wordt er nu gesproken over dat wat in de plaats moet komen. Daarvoor is de gemeente, in de persoon van de wethouder en ondersteund door ambtenaren, in gesprek met ProRail en het ministerie. En roerden en roeren zich inwoners van Tricht in diverse groepen zoals de Dorpsraad en de werkgroepen Spoor Tricht en trilvrij Tricht dan wel individueel tijdens inloop/-inspraakavonden en in een ‘participatiegroep’ van ProRail. Allemaal om voor het belang van Tricht op te komen.

Maar wat is nu dat belang van Tricht?

Het belang van de huiseigenaar die het huis zal moeten verkopen omdat daar de toekomstige rondweg gepland staat en al lange tijd in onzekerheid leeft omdat er nog steeds niet bekend is wanneer en wat er nu precies gaat gebeuren? Het belang van de mensen die nu vrij en rustig wonen en straks waarschijnlijk pal naast die rondweg komen te wonen? Het belang van mensen die grond moeten afstaan ten behoeve van die rondweg? Het belang van de minder mobiele inwoner van het dorp die niet met al te veel omwegen naar de andere kant van het dorp wil kunnen gaan? Het belang van schoolgaande kinderen die nu gewend zijn om zelfstandig van en naar school en vriendjes en vriendinnetjes te kunnen gaan? Het belang van bewoners van de Lingedijk, die afsluiting voor autoverkeer van die drukke weg voor hun deur wel zien zitten? Het belang van de ondernemer op diezelfde dijk die zijn nering in gevaar ziet komen als hij daardoor slechter bereikbaar wordt? Het belang van inwoners van Tricht die gebruik maken van de trein om van en naar hun werk te reizen en een betere treinverbinding wel zien zitten? Het belang van de bewoners van een deel van de Nieuwsteeg die overlast vrezen door een tunnel onder het spoor en die bang zijn wellicht een deel van hun grond te moeten afstaan dan wel zelf slechter bereikbaar te zullen worden? Het belang van ondernemers die graag hun bedrijven bereikbaar willen houden? Het belang van de inwoners die graag zien dat zij snel bereikbaar blijven voor de hulpdiensten?

En dan is daar ook nog het belang van de vele scholieren die via Tricht van en naar hun school in Culemborg fietsen. En van de toerist van dichtbij en verder weg die met name in de bloesemtijd gebruik maakt van de schitterende route langs de Linge die ook door Tricht voert. En het belang van de treinreiziger die gebruik maakt van de route door Tricht. En het belang van de goederenvervoerder die zijn waren over het spoor laat vervoeren.

De afweging welke oplossing in Tricht het beste is, is een lastige. Met zoveel verschillende belangen is nooit iedereen tevreden met wat voor besluit dan ook genomen wordt.

In Nederland hebben we onder andere een lokale overheid die besluiten neemt waarbij zoveel mogelijk met alle belangen rekening gehouden wordt. We mogen er dan ook van uit gaan dat het gemeentebestuur van Geldermalsen in elk geval het belang van haar inwoners voorop zal stellen. En dat zij haar uiterste best doet om zoveel mogelijk uit de onderhandelingen met ProRail en de rijksoverheid te halen ten gunste van Tricht. Dat gemeentebestuur heeft in ieder geval veel beter zicht op al die verschillenden belangen dan een minister die, mocht met het gemeentebestuur niet tot overeenstemming worden gekomen, door middel van een Tracébesluit ‘beschikt’.  In dat geval telt het belang van de BV Nederland waarschijnlijk heel wat zwaarder dan het Trichts belang.

Grote zorgen over goede toegang tot zorg in Geldermalsen

Gemeenten krijgen belangrijke taken en verantwoordelijkheden op het gebied van werk, zorg en welzijn overgedragen vanuit het Rijk en de Provincies. De zogenaamde transities op het ‘sociaal domein’. Op dit moment is nog steeds niet helemaal duidelijk wat de gemeenten nu precies moeten gaan doen en hoeveel geld daarvoor beschikbaar is. Zo vonden en vinden er nog debatten plaats in de Tweede en straks in de Eerste Kamer over de nieuwe wet op de Langdurige Zorg (WLZ) die de huidige AWBZ gaat vervangen. Desondanks zijn gemeenten al geruime tijd hard bezig met de voorbereidingen op de nieuwe taken. Ook de gemeente Geldermalsen, vaak samen met de regiogemeenten in Rivierenland, want voor veel taken zijn wij met 27.000 inwoners gewoon te klein om die helemaal zelfstandig uit te voeren.

Er blijft echter nog genoeg ruimte voor een specifieke Geldermalsense insteek. Dat we met sociale wijkteams moeten gaan werken ligt vast. Hoe die teams gaan werken en hoe zij voor de inwoners bereikbaar zijn kunnen we zelf bepalen. In een uitgestrekte en redelijk ‘dunbevolkte’ plattelandsgemeente zoals Geldermalsen zal dat immers anders gaan dan in stedelijke gebieden zoals in de buurgemeenten Culemborg en Tiel.

Over dat ‘hoe’ van de kernteams is uitgebreid nagedacht. Er is in het kader van de transities, mede op verzoek van D66, zelfs een speciale denktank solide transities in het leven geroepen met daarin raadsleden die specialist zijn op het ‘sociaal domein’, de verantwoordelijk wethouders, ambtenaren en ook een vertegenwoordiging van de Geldermalsense WMO raad. Mede naar aanleiding van het met elkaar ‘sparren’ in die denktank werd een groeinota sociale kernteams opgesteld die in mei van dit jaar door de gemeenteraad is vastgesteld.  Belangrijke uitgangspunten voor het sociale team waren dichtbij in de dorpen en wijken, laagdrempelig, zo weinig mogelijk bureaucratie en ruimte geven aan de professionals in het kernteam.

Wat schetste ieders verbazing tijdens de eerste bijeenkomst van de denktank na het (helaas lange) zomerreces toen bleek dat het college besloten had tot een flinke koerswijziging. Er was een plan van aanpak geschreven dat vooral rept over procedures opstellen en overige organisatorische zaken. In plaats vanuit de dorpen en wijken gaat het kernteam voorlopig vanuit het gemeentehuis werken. Van zichtbaar aanwezig en vindbaar te zijn wordt niet gerept. Het lijkt er op dat niet voor het centraal stellen van de burger, het huishouden en de buurt gekozen wordt, evenmin voor het eenvoudig en overzichtelijk organiseren, ook niet voor het samenwerken op basis van vertrouwen. Controle luidt het nieuwe devies. Vertrouwen in de zorgprofessionals lijkt ver te zoeken. Wat lijnrecht ingaat tegen de eerder vastgestelde groeinota en ook de binnen de regio Rivierenland afgesproken bredere visie.

Uitgebreid is in de danktank over deze plotselinge koerswijziging gesproken. Wethouder Niko Wiendels kon geen van de aanwezige raadsleden overtuigen. Hij wilde desondanks het plan van aanpak ongewijzigd bespreken in de commissie samenleving, 5 dagen later. Mede omdat de denktank ‘slechts’ een informele groep zonder status was, dus kon hij ook wat er nu gezegd was naast zich neerleggen. Dat gaf ons als raadsleden natuurlijk niet het idee dat wij serieus genomen worden. Wat toch gezien kan worden als een vorm van minachting.

Dat laatste was voor ons reden om voor te stellen de denktank dan maar af te schaffen. Daarin werden wij achteraf gesteund door onze griffier. Hij zei het niet met zoveel woorden maar de reden is natuurlijk dat als de wethouder raadsleden in een informelere setting zoals de denktank niet serieus neemt, we er beter aan doen alleen nog officiële vergaderingen te houden. De andere raadsfracties willen deze stap nog niet zetten.

In de commissie samenleving is de discussie over de kernteams opnieuw gevoerd en bleek de wethouder nog steeds van zins het plan van aanpak uit te voeren zoals het er lag. Met een aantal kleine wijzigingen/aanvullingen, maar ons grootste bezwaar werd niet opgelost. Het kernteam blijft voorlopig onzichtbaar voor onze inwoners. Andere ingangen naar informatie, zorg en hulpverlening blijven nog gewoon bestaan. Het was onduidelijk hoe de coalitiepartijen zich gaan opstellen. Het plan van aanpak werd nog niet rijp genoeg bevonden en komt in oktober opnieuw op de agenda. De trein ‘kernteam’ lijkt zich ondertussen voort te denderen op het door het college ingeslagen nieuwe spoor want de wethouder liet net als in de denktank tijdens de discussie niet blijken dat hij onze bezwaren echt serieus nam. Wat op zich natuurlijk al een kwalijke zaak is.

Belangrijker echter is het uitstel dan wel afstel dat dreigt voor een goede laagdrempelige, bereikbare, eenduidige toegang tot werk, zorg en welzijn voor onze inwoners. Reden voor mij en mijn fractiegenoot om de aanvraag voor het spoeddebat op dinsdag 16 september te ondersteunen. Wij zullen uiteraard, D66 eigen, de wethouder op de inhoud aanspreken. Mocht echter de wethouder weer blijk geven van het niet serieus nemen van de bezwaren van de raad dan zullen wij hem daar zeker op aanspreken.

 

Van medevrouwen moeten we het soms (niet) hebben

Van medevrouwen moeten we het soms inderdaad (niet) hebben. En dan heb ik het nog niet eens over het taalgebruik (in mijn krant Trouw nog wel) van columniste Tinkebell. Ik ben natuurlijk groot voorstander van vrijheid van meningsuiting, het kan echter respectvoller lijkt mij en zonder (als vrouw) vrouwen (nog meer) schuldgevoel aan te praten zoals Tinkebell in haar column (zie hieronder) doet.

Ze bekijkt de wereld ook wel heel eenzijdig en vanuit de positie van iemand die (dankzij?) in staat geacht kan worden om carrière te maken. Wat voor de meeste ‘doorsnee’ Nederlandse vrouwen, achter de kassa van de Lidl/AH of andere supermarkt, in de kinderopvang, in de zorg etc., niet weggelegd is. Een full-time baan in die sector is al een wonder, laat staan dat je van het salaris goed kunt rondkomen. En dat gaat uiteraard ook op voor veel ‘doorsnee’ mannen.

Zo lang het belang van werken in de ‘zorg’ sterk ondergewaardeerd blijft en het leveren van kwaliteit in die zorg (of het nu kinderopvang, onderwijs, gehandicapten- of ouderenzorg betreft) nog steeds niet voorop staat, blijft met name de positie van veel vrouwen achter. Laten we vooral investeren in de kwaliteit van onderwijs en kinderopvang en op het aansluiten op en samenwerken met elkaar hiervan zodat werken (en wellicht carrière maken) mogelijk wordt zonder steeds in de spagaat van werk-zorg terecht te komen.

En laten we vooral eens ophouden met het idealiseren van dat carrière maken, dat kennelijk alleen mogelijk is voor mensen die bereid zijn 60 uur per week of meer aan hun werk te besteden. Wat natuurlijk helemaal van de zotte is (en op den duur ongezond nog bovendien). De illusie dat je in geen enkele topfuncties ‘parttime’ zou kunnen werken houdt dit alles natuurlijk ook in stand. Het mag dan het ego strelen ‘kijk eens hoe onmisbaar ik ben’, uiteindelijk is natuurlijk niemand dat.

Het lijkt erop dat veel vrouwen dat beter begrijpen dan mannen door niet hun ‘carrière’ voor alles te laten gaan. Nu de mannen (en sommige vrouwen) nog. Dan komt het met vrouwen in topfuncties uiteindelijk ook goed.

Hieronder de bewuste column van Tinkebell (die weer een reactie is op alle ‘commotie’ rondom uitspraken gedaan door Jeroen Pauw over waarom er zo weinig vrouwen in zijn en Wittemans uitzending aan tafel zitten):

Zeikwijven. Dat is wat ik dacht toen ik de kritiek las op het antwoord van Jeroen Pauw. De vraag was of er meer vrouwen in zijn show zullen aanschuiven. Zijn antwoord: “Als ze langzamerhand iets in onze samenleving gaan betekenen wel. Maar feitelijk is dat niet zo. Er is geen vrouwelijke fractievoorzitter in de Tweede Kamer, grote gemeenten hebben geen vrouwelijke burgemeesters, er zijn minder vrouwelijke hoogleraren en zelfs ministers. Op het terrein waarop je het vaakst mensen uitnodigt, personen die kleur aan onze samenleving geven vanwege hun functies, zijn vrouwen ontzettend ondervertegenwoordigd.”
Die thuiszittende vrouwen lopen de carrière-diva’s voor de voeten
Feministisch Nederland stond direct op zijn achterste poten en vroeg Jeroen om zijn woorden terug te nemen. Hij weigerde: “Als je het er niet mee eens bent, doe er iets aan”, aldus Pauw. “Ik snap dat het provocerend over kan komen, maar het is een feitelijke constatering.” En hij heeft gelijk. Al heb ik mogelijk een iets andere kijk op wie nu schuldig is aan deze feiten. Het ís namelijk een feit dat er minder vrouwen op hoge posities zitten. Het is een feit dat het voor vrouwen moeilijker is om een functie op een hoge positie te krijgen dan mannen. Het is ook een feit dat minder vrouwen dan mannen een hoge positie ambiëren met veelal werkweken van meer dan zestig uur.

Gelukkiger
En juist in dat laatste zie ik (hier in Nederland) eigenlijk het grootste probleem. De meeste vrouwen werken namelijk het liefst parttime. Hooguit 3 à 4 dagen per week. No way dat je daarmee flink carrière maakt (en terecht!). Want (vaak mannelijke) collega’s of concurrenten die simpelweg meer tijd investeren, klimmen hoger op de ladder. Het schijnt dat deze grote groep Nederlandse vrouwen erg hoog scoort als je onderzoekt hoe gelukkig ze zijn, doordat ze zo weinig uren maken en dat is mooi. Wat echter niet mooi is, is dat ze hiermee de carrièrebeluste vrouwen flink voor de voeten lopen. Want wanneer een meerderheid van de vrouwen niet meer wíl werken, niet meer verantwoordelijkheid wíl, of na een paar jaar full-time werken drie kinderen gaat baren en daarna een deel van de tijd thuis gaat zitten, dan schep je daardoor, omdat het hier de grote meerderheid van de vrouwen betreft, een verwachtingspatroon.

Juist ja. Het probleemwoord: VERWACHTINGSPATROON.

Zij-ladder
De thuiszittende half werkende en half moederende vrouwen hebben een dusdanig verwachtingspatroon gecreëerd dat het voor de hard werkende carrière-diva’s haast onmogelijk is geworden om mee te klimmen op die ladder met al die mannen van wie men onmiddellijk aanneemt dat ze wel door zullen pakken. Bovenop onze klim hebben wij namelijk nog een extra klus te klaren. Noem het een zijladder, náást de gewone ladder, die we erbij moeten nemen. En die zijladder bestaat voornamelijk uit het overtuigen dat wij ánders zijn. Vertrouwen kweken.

Extra werk dus. Moeilijk werk ook, omdat er zelfs op die zijladder vrouwen zijn die ineens afhaken én omdat wij vrouwen ook nog eens zo in elkaar zitten dat we elkaar weinig gunnen en het elkaar daarom soms extra moeilijk maken. Het ligt dus niet aan de mannen. Niet aan de politiek. Niet aan de bedrijfswereld. Het is de grote groep vrouwen die het voor de kleine groep verkloot. Dankjewel. Zeikwijven.

 

Over onervarenheid, tijdsdruk, onafhankelijke journalistiek en democratische legitimiteit

Niet alleen een aantal nieuwe raads- en commissieleden moet zich nog flink inwerken in de complexe materie van de transities: de grote veranderingen op het gebied van zorg, welzijn en inkomen. Hetzelfde gaat op voor de nieuw verantwoordelijk wethouder voor zorg en welzijn. Hoewel het huidige college van burgemeester en wethouders voor het grootste deel een voorzetting is van het vorige, heeft de nieuwe coalitie in Geldermalsen besloten om fors te schuiven in de ‘portefeuilles’ van die wethouders.  Wat de continuïteit helaas niet ten goede lijkt te komen. De drie grote transities (eigenlijk vier als we de nieuwe wet op het passend onderwijs meerekenen) hebben allemaal een andere wethouder als politiek eerstverantwoordelijke gekregen.

De toekomst zal moeten uitwijzen of dit een wijze beslissing is geweest.

In de commissie samenleving van 6 mei vergaloppeerde wethouder Wiendels zich tijdens de commissie samenleving in ieder geval meermaals. Toen hij daarop aangesproken werd leverde dit dan ook meerdere malen excuses van zijn kant op.

Belangrijk agendapunt betrof het opzetten van sociale wijkteams, in Geldermalsen worden deze kernteams genoemd. Groeinota.Sociaal_Kernteams_S_14.006074_1 Waarvan de wethouder ‘hoopte’ dat zij op 1 januari 2015 klaar zijn voor de nieuwe taken. Ik gaf aan dat hopen natuurlijk volstrekt onvoldoende is. De gemeente dient dan gewoon klaar te zijn. Punt. Een valse start dus voor de wethouder die ook later tijdens de vergadering moeite had vragen die onder de commissieleden leefden afdoende te beantwoorden. Of het beantwoorden van politiek getinte vragen aan ambtenaren overliet. Wat mede mogelijk was doordat de commissie met een nieuwe en onervaren voorzitter werkt. Wat onder de commissieleden weer tot ongenoegen over dat – soms niet onafhankelijke –  voorzitterschap leidde. Het was wellicht maar goed dat er amper pers aanwezig was om hier verslag van te doen. Alhoewel het ook treurig stemt dat er zo weinig aandacht vanuit de journalistiek is. Want hoe wordt de burger nu goed en vooral ook onafhankelijk geïnformeerd over de voorbereidingen op wat wel eens de grootste omschakeling in gemeenteland zal blijken te zijn.

Onder de raadsleden bleek in ieder geval nog veel onduidelijk te zijn over de werking van de kernteams. Zoals wie nu dat kernteam aanstuurt, en komt er nu een of komen er toch twee? In hoeverre wordt het werk aan de professionals overgelaten en gaat het om de kwaliteit, het leveren van de juiste zorg? Of heeft de gemeente via bijvoorbeeld de Wmo consulent in het kernteam met een financieel oogmerk een extra vinger in de pap? Ik heb ook gewaarschuwd voor een teveel aan bureaucratie toen de noodzaak tot het opstellen van protocollen de revue passeerde. Wellicht is het een typisch Nederlandse reflex om op veranderingen en onzekerheden te reageren met het stellen van allerlei ‘controlerende’ regels, belangrijk uitgangspunt van de transities is toch echt dat we professionals de ruimte geven en hen niet met allerlei regelgeving opzadelen.

Onduidelijk was ook nog steeds hoe en vooral wanneer het kernteam voor onze inwoners zichtbaar en toegankelijk is. Dat lijkt nu oktober te worden, wat toch wel rijkelijk laat is om te kunnen proefdraaien. In de regiogemeente Neder Betuwe doet men al sinds vorig jaar ervaring op met het werken met sociale wijkteams. De ervaring in den lande leert bovendien dat het al snel een tot twee jaar duurt voor de leden van een sociaal wijkteam goed op elkaar zijn ingespeeld.

En hoe weten we eigenlijk of het inzetten van kernteams ook daadwerkelijk preventief werkt? Hoe zorgen we voor kwaliteit? Hoe voorkomen we budgetoverschrijding? Oftewel: hoe kunnen wij als gemeenteraad bepalen of het werken met kernteams een succes is? Vragen die kennelijk nog steeds niet te beantwoorden zijn.

Op mijn vraag of er wellicht tijdelijk meer geld nodig is zodat de afdeling met meer mensen aan dit dossier kan werken kwam geen reactie van de wethouder. Slechts de SGP gaf zeer voorzichtig aan hier ook wellicht behoefte aan te hebben. Bij de andere partijen was het oorverdovend stil.

Dit alles liet helaas weinig tijd over voor de bespreking van het volgende agendapunt: de lokale sturing, bekostiging en inkoop Jeugdzorg en AWBZ Wmo. lokale_sturing_Geldermalsen_S_14.005854_7  Waarbij ik namens D66 wel vraagtekens zette bij het voorstel om voor kortdurende hulp door vrijgevestigde eerstelijns psychologen en pedagogen alleen PGB met trekkingsrecht in te willen inzetten. Hoewel we een groot voorstander zijn van de mogelijkheid tot PGB is juist dit instrument lang niet altijd geschikt voor kortdurende hulp.

Daarnaast heb ik gesteld het erg jammer te vinden dat de Geldermalsense WMO raad geen tijd kreeg om advies te geven, dat er geen juridisch advies etc. is gegeven en dat het lokale werkveld op het gebied van Wmo en jeugdzorg niet geraadpleegd is over de nota. Dit was allemaal te wijten aan de tijdsdruk.

Tijdsdruk speelt kennelijk bij alles en op alle niveaus. Tijdsdruk lijkt helaas, naast onervarenheid van raadsleden en wethouders en de zorgen over de financiële haalbaarheid, een van de grootste belemmeringen voor een goede invoering van de transities te zijn geworden. En dan heb ik het nog niet eens gehad over het probleem van (het gebrek aan) goede sturings- en controle mogelijkheden van de gekozen volksvertegenwoordigers die wij gemeenteraadsleden zijn. De zogenaamde democratische legitimiteit. Die staat namelijk door de vele verschillende samenwerkingsverbanden die vanwege de transities tussen gemeenten ontstaan onder grote druk. Waardoor je je afvraagt waarom het kabinet in Den Haag niet heeft besloten de invoering van de transities een jaar uit te stellen. Dan had naast een zorgvuldiger voorbereiding wellicht ook draagvlak voor een goede oplossing voor dat probleem van die democratische legitimiteit gevonden kunnen worden.

Proberen is niet goed genoeg

Samen met mijn D66 medekandidaatsraadslid Patrick van Iperen was ik zaterdag 25 januari aanwezig tijdens de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) georganiseerde bijeenkomst ‘Raad op zaterdag’ in Amersfoort. Hoog op de agenda: de decentralisaties/transities in het sociaal domein.

We kwamen veel betrokken raadsleden en griffiers uit heel Nederland tegen en ontmoetten ook de enthousiaste medewerkers van de VNG die verantwoordelijk waren voor de prima organisatie van het congres waarop bijna 300 mensen waren afgekomen. Minister Plasterk mocht de aftrap geven.

835284220[1]

Hij erkende de ook in zijn ogen ’terechte zorg’ bij gemeenten over de onzekerheden die spelen bij de decentralisaties. Burgers mogen volgens hem niet het slachtoffer worden. ,,De functie van raadsleden verandert, het sociale domein wordt belangrijker dan ruimtelijke ordening.’’ Dat was voor ons als D66 Geldermalsen natuurlijk allang duidelijk. De minister waarschuwde vervolgens voor de privacyproblematiek bij de transities. Laten wij daar als D66 Geldermalsen nu regelmatig de aandacht voor gevraagd hebben. De minister zag ook een belangrijke ondersteunende taak voor de landelijke organisatie van politieke partijen weggelegd. Daar maken wij als lokale D66 afdeling inderdaad dankbaar gebruik van. Hoe lokale partijen zonder landelijke back-up dat moeten organiseren, daar liet Plasterk zich echter niet over uit.

Opvallend was dat er ondanks de verschillende politieke achtergronden een grote eensgezindheid was betreffende de problemen die gemeenteraadsleden ervaren in het kader van die decentralisaties. Met name de onduidelijkheid vanuit Den Haag over de bevoegdheden en de budgetten vormt een groot risico voor een goede invoering. Minister Plasterk beloofde ‘te proberen’ dat voor de zomer in ieder geval de Tweede Kamer de wetten aanneemt waardoor enige duidelijkheid wordt geschapen. Jantine Kriens van de VNG noemde de decentralisaties een enorme kans voor gemeenteraden om zorg dichtbij goed te organiseren maar erkende ook de zorg vanuit de zaal dat door de korte tijd waarin van alles moet gebeuren ambtenaren nu veel te veel op stoel van de raadsleden zitten. Helaas gebruikte ook zij het woord ‘proberen’. Wij moeten ‘proberen’ de decentralisaties goed te laten verlopen.

Zorgelijk

Dat minister Plasterk de zorg bij gemeenten over alle onzekerheden ’terecht’ noemde baart mij zorgen. Dat ‘proberen’ van hem en van de VNG baart mij ook zorgen. En het maakt maar al te meer de onrust en zorg bij bijvoorbeeld ouders en professionals in de jeugdzorg begrijpbaar. Proberen is niet goed genoeg als je hulp/zorg nodig hebt en er onduidelijkheid bestaat over de voortzetting daarvan na 1 januari 2015. Net zo zorgelijk vond ik de opmerking van minister Plasterk dat gemeenten straks eerder geld dat geoormerkt wordt voor het sociale domein tekort zullen komen dan dat geld uit het sociale domein naar ‘de lantarenpalen’ zal gaan.

Conclusie mijnerzijds: er speelt veel, veel is onduidelijk, gemeenteraden dienen goed op te letten, zich breed te laten informeren, hun verantwoordelijkheden ‘te pakken’ en zich daarbij goed te laten ondersteunen door de griffie, ambtenaren en de eigen politieke partijen. Met nu bijna vier jaar ervaring als gemeenteraadslid hoop ik dat de komende vier jaar te kunnen doen en daar ook voldoende tijd voor te vinden/krijgen. Het voelt nu soms al alsof je in een veel te snel rijdende trein zit, zonder noodrem. Hoe voelt dit straks voor de mensen die vanaf 19 maart nieuw in de gemeenteraden komen? Gelukkig dat de griffie in Geldermalsen al deze maand met een inwerkprogramma begint voor aspirant-raadsleden. We zullen alle ondersteuning nodig hebben wil die trein niet uit de bocht vliegen, anders worden onze (meest kwetsbare) burgers uiteindelijk toch het kind van de rekening.

Orienteer u en kies bewust lokaal

Het was weer tijd voor een ‘raadspraat’ in het Nieuwsblad Geldermalsen. De kiezers zijn er misschien nog niet mee bezig, ik en mijn mede D66’ers uiteraard wel. Vandaar dat de volgende column van mijn hand op donderdag 31 oktober in het Nieuwsblad stond:

Over een paar maanden start het vierjaarlijkse politieke ritueel dat vooraf gaat aan de gemeenteraadsverkiezingen. Verkiezingsprogramma’s worden ten doop gehouden en slogans, de een wellicht wat spitsvondiger dan de ander, vliegen u om de oren. Anders dan bij de landelijke politiek weet u in ieder geval zeker dat u na 19 maart 2014 tot maart 2018 aan die nieuwe gemeenteraad vast zit. Colleges kunnen vallen, de zetelverdeling in de gemeenteraad blijft dezelfde tot u opnieuw mag stemmen.
De gemeentelijke politiek is natuurlijk veel meer dan dat ene ritueel. Het is een doorlopend proces met iedere maand raadsvergaderingen waarin besluiten worden genomen die u direct of indirect aangaan. Over het onderhoud van het groen, het ophalen van huisvuil, subsidies aan verenigingen, de openingstijden van de winkels, de prijs van uw paspoort en zo voort. Door u gekozen raadsleden bepalen waar wel en waar niet geld aan wordt uitgegeven. Over die te maken keuzes wordt door politieke partijen soms heel verschillend gedacht. Omdat het vaak om heel lokale zaken gaat, en ook omdat een beperkt aantal politieke partijen lokaal actief is, kunt u lang niet altijd afgaan op de keuze die u in de landelijke politiek maakt. Als u bewust lokaal kiest kan uw keus heel anders zijn.
Een ander politiek ritueel, de jaarlijkse ‘begrotingsraad’, is het moment waarop partijen besluiten waaraan de gemeente het volgende jaar geld gaat uitgeven. Wilt u zich vast oriënteren op wat u 19 maart zou kunnen stemmen? Kom naar die openbare begrotingsraad. Daar krijgt u waarschijnlijk een veel beter idee van waar politieke partijen voor staan dan u uit de oneliners, waarop wij u begin 2014 vast weer trakteren, kunt opmaken.
Ik zie u graag op dinsdag 12 november vanaf 17.00 uur in ons gemeentehuis.